Buisman: Duizend jaar weer wind en water, deel 1


Overzicht Jan Buisman van 1000 jaar weer en wind bewijst meteen zijn nut

Hete zomer ramp voor Middeleeuwer

Door ANDRÉ HORLINGS

Drs. Jan Buisman >

(23 juli 1995) Nederland heeft er een nieuwe weergoeroe bij. Tijdens het gesprek bellen de Breakfast Club en Met het oog op morgen. Ze willen Jan Buisman in de uitzending. Want in de VS richt een hittegolf een slachting aan onder bejaarde en in Nederland lijkt het opnieuw extreem warm te worden. ‘Ik ben benieuwd wat ze willen weten’, zegt hij een beetje onzeker. ‘Ik ben geen weerprofeet’.

Maar zonder twijfel wel deskundige bij uitstek wat betreft de historie van het weer. Enkele weken geleden liep deel één van de pers van ‘Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen’ (uitgeverij Van Wijnen). Daarin een overzicht van de zomers en winters van 764 – de strengste van die eeuw - tot 1300 - koude winter, normale zomer -, aangevuld met daaruit voortvloeiende calamiteiten als hongersnood, overstromingen, dichtgevroren rivieren, stadsbranden en mislukte oogsten. Drie volgende delen zijn in voorbereiding, zodat over enkele jaren een compleet overzicht tot 1995 beschikbaar zal zijn. Uniek in de wereld, want nergens zijn de weersgegevens over een zo lange periode zo uitvoerig gedocumenteerd.

Weer of geen weer

Sinds Buisman (70) in de barre winter van 1929 op vierjarige leeftijd over het ijs de Lek overstak bij zijn geboortestad Culemborg is hij in de ban van het weer. Van zijn jeugd in Borculo tussen 1930 en 1937 herinnert hij zich vooral de warme zomers, acht op rij, met één ‘normale’ uitzondering. De drie strenge oorlogswinters 1940-1942 maakten grote indruk. Toen het voor de ‘vijand’ te interessante weerbericht door de Duitsers taboe werd verklaard, maakte hij zijn eigen voorspellingen. Voor de aardigheid stelde hij een lijst op met weersverschijnselen, die uitgroeide tot 1000 ‘weerregels’; over wolken, windrichting, optische verschijnselen als een kring om de zon of maan, enz. In 1961 vonden die plaats in een boek: ‘Weer of geen weer’.

Maar Buisman maakte niet van zijn hobby zijn beroep. Hij werd onderwijzer en later leraar aardrijkskunde. In 1984 verzamelde hij zeven eeuwen winterweer in een nieuwe publicatie: ‘Bar en boos’. ‘Dat leverde een positieve reactie op van het KNMI. Maar men vond het jammer dat ik me had beperkt tot de winters en geen bronnen vermeldde. Dat was noodgedwongen, door ruimtegebrek. In 1988 kreeg ik een officieel verzoek om het werk over te doen en in te passen in een breed klimaatonderzoek, gesubsidieerd door de Europese Unie. Ik heb volledige vrijheid om alles te vermelden wat ik relevant acht. En ik word wetenschappelijk ondersteund door het KNMI, wat van enorm belang is’.

Dorestad (Wijk bij Duurstede?) op een schoolplaat van J.H. Isings uit 1927. De teksten suggereren dat Vikingen de stad plunderden, maar er zijn geen historische gegevens bekend over plunderende Noormannen of van een grote brand. Ill. Nationaal Onderwijs Museum Rotterdam)

Beperking: tot 1300

Luttele weken na de presentatie van deel 1 is het nut van de uitgave overduidelijk, al blijkt meteen ook de beperking dat het overzicht pas tot 1300 gevorderd is. Een eerste hittegolf met tropische temperaturen, begin juli, is na een korte afkoelingsperiode gevolgd door een volgende. Dit verhaal kost veel meer zweetdruppels dan normaal, want opnieuw vallen de mussen van de daken; het is niet eens zo warm, maar wel benauwd en drukkend.

De zomer van 1995 lijkt een kopie te worden van die van 1994, waar in onze herinnering geen eind aan leek te komen. Is dat historisch uniek of heel gebruikelijk? Wat was de allerwarmste zomer ooit? Het is (nog) niet in Buismans werk te vinden.

Maar aan de hand van andere gegeven kan - verrassend wellicht - wel al worden vastgesteld dat het afgelopen jaar in de statistieken geen echt opzienbarende plaats heeft gekregen. Want hoewel juli alle records brak sinds in 1706 de temperatuursregistratie begon, was juni nat en koel en augustus aangenaam. Onbetwist recordhouder is 1947, toen steeds weer nieuwe hogedrukcellen van de Azoren via Nederland naar Scandinavië trokken. Het jaar telde drie hittegolven (25 juni tot 4 juli, 22 tot 30 juli en 11 tot 27 augustus) en in totaal 62 ‘zomerse’ dagen (boven 25 graden).

Broeikaseffect?

Tussen 1948 en 1974 was van ‘zeer warme’ zomers geen sprake, op die van 1959 na, terwijl er slechts drie ‘warme’ waren. De koudste zomers dateren uit de 18e eeuw. In 1740 werd in Haarlem een hoogste temperatuur van ca. 22 graden gemeten.

Sinds 1989 zijn de zomers warm tot zeer warm, met het ‘koude’ 1993 als enige uitzondering. Het broeikaseffect? Buisman sluit het niet uit; het KNMI sinds kort evenmin. Maar, citeert hij het meteorologisch instituut in 1993, ‘omdat we nu niet en misschien wel nooit kunnen voorspellen hoe het klimaat van West-Europa door het broeikaseffect precies zal veranderen zit er voorlopig niets anders op dan het klimaat zorgvuldig te bewaken en de vinger aan de pols te houden’.

Of was 1540 nog warmer dan 1947? ‘Het lijkt erop’, zegt Buisman. ‘Maar daar kom je nooit met zekerheid achter. Probleem is dat goede vergelijkingsmogelijkheden ontbreken. Wat betekent een vermelding dat ‘de zomer sinds mensenheugenis niet zo heet is geweest’? Het geheugen van de mens is toch al niet zo betrouwbaar. Er zijn veel meer aanwijzingen nodig om een goed beeld te krijgen’.

Gevarieerde bronnen

Hij baseert zijn onderzoek op uiteenlopende gegevens. Brieven, dagboeken, documenten, kronieken, de boekhouding van tolgaarders aan de rivieren, het kapotvriezen van knoppen in bomen en struiken, het begin van de oogst van hooi, graan, fruit en wijn, de opbrengst van die oogsten. Maar ook jaarringen van bomen, informatie over hongersnoden, stadsbranden, besmettelijke veeziekten en nog tal van andere gegevens vormen het fundament onder zijn conclusies. En dan moest bovendien nog rekening worden gehouden dat in 1582 tien dagen werden overgeslagen om de Juliaanse kalender, die onvermijdelijk zou leiden tot zomerse kestdagen, over te laten gaan in de Gregoriaanse tijdrekening. Maar niet overal. Engeland volgde 170 jaar later en Rusland paste zich pas aan nadat Lenin het tsarenrijk had omgevormd tot de Sovjet-Unie. Daardoor werd de ‘Oktoberrevolutie’ van 1917 steeds in novamber herdacht.

Een belangrijke wetenchappelijke bron is het standaardwerk ‘Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland’ van de historisch-geografe dr. M.K. Elisabeth Gottschalk. Buisman studeerde bij haar af. In het in de jaren ‘70 verschenen werk, dat de wateroverlast tot 1700 behandelt, haalde Gottschalk genadeloos de schoffel door tal van legendarische overleveringen, ontsproten in het brein van obscure kroniekschrijvers en/of vermenigvuldiging van rampen door eenvoudige overschrijfftouten in jaartallen. ‘Onbegrijpelijk dat er nog steeds publicaties over stormrampen verschijnen waarvan de auteur niet eens de moeite heeft genomen zijn gegevens aan de hand van het onderzoek van Gottschalk te verifiëren’, bittert Buisman.

Angstaanjagende natuur

De uitvoerige inleiding op zijn boekenreeks maakt duidelijk dat hij zelf bepaald niet over één nacht ijs is gegaan. Het ‘wegen’ van alle gegevens om tot een betrouwbaar beeld te komen moet een Sysifusarbeid zijn geweest, ook al omdat bijvoorbeeld in de Middeleeuwen het tijdsbesef van de mens zeer gebrekkig was en bizarre natuurverschijnselen vooral angst veroorzaakten. Maar hij maakt aannemelijk dat de eerste winter in zijn boek, van 763/’64, de strengste was in de achtste eeuw. In 783 was de zomer zo warm ‘dat verscheidene mensen de laatste adem uitbliezen’. Op 6 en 9 juli 800 stond er zware rijp op de bomen. In 813 werd de houten brug van Mainz verwoest door brand, waarschijnlijk veroorzaakt door blikseminslag. In 820 mislukte de oogst door overvloedige regenval en woedde onder mensen en runderen ‘een pestilentie met zulke heftigheid, dat er nauwelijks een strook land van het Frankische Rijk van verschoond bleef’. In augustus 873 getuigden meldingen uit Germanië en Italië van een gigantische sprinkhanenplaag. Het is een ruime greep van willekeurige notities uit het eerste deel tot 1300.

De hete zomer van 1540

Het manuscript voor deel twee tot 1550, het begin van de ‘Kleine IJsttijd’, is nagenoeg klaar. De beschrijving (met citaten veelal in de originele spelling) maakt duidelijk dat de zomer van 1540 in elk geval uitzonderlijk warm moet zijn geweest. Al in februari begon een droogteperiode die maanden zou aanhouden. Een groot deel van de lente en de zomer was uitzonderlijk warm. Volgens sommigen was de hitte de ergste ‘sinds mensenheugenis; één bron hield het op ‘sinds duizend jaar’. Een kapelaan in Hasselt (België) meldde dat ‘het volk in deze tijd overal zeer ziek was tot op de dood in het hoofd en aan het hart’, De oogst was vroeg: ‘Men begon het koren te zichten acht wel acht dagen voor St. Jansmis (24 juni). Maar veel boeren lieten op het land het leven en op veel plaatsen verdorden de gewassen op de velden, met hongersnood als gevolg. Ook heerste er een muizenplaag.

De rivieren vielen nagenoeg droog. Bij Keulen trok een boer met zijn ploeg dwars door de Rijn en in Parijs wandelde men door de Seine. In Luik verloren ‘meerdere fonteinen hun bron en enige rivieren hun waterloop’.

Karel V vlucht Amsterdam uit

KarelV < Keizer Karel V bezocht Amsterdam in het hete 1540, maar wist niet hoe gauw hij weg moest komen Hij was bang voor vergiftiging door het water in de grachten.

Keizer Karel V, die op 13 augustus 1540 met groot gevolg een bezoek bracht aan Amsterdam, wist niet hoe gauw hij de wijk moest nemen. Hij vertrouwde het water uit de grachten niet en weigerde het te drinken; ongetwijfeld terecht. Aert van der Goes, advocaat van den Lande, noteerde als redenen voor het overhaaste vertrek ‘dat in Amsterdam de vier elementen (lucht, water, aarde, vuur) gecorrumpeerd zijn, om de gezondheid van Zijne Majesteit (die leed aan jicht) te behouden en omdat het water te Amsterdam niet deugt en degenen die het drinken ziek kunnen worden. Ja, zich zelfs dood zouden kunnen drinken’.

Heide- en bosbranden waren aan de orde van de dag. Het stadje Einbeck, waar sinds de 14e eeuw bokbier werd gebrouwen, ging in vlammen op en honderden mensen kwamen daarbij om het leven. Hetzelfde lot trof Vianen, waar de Mariakerk verloren ging, en Erkelens, waar een ‘satanische wind’ de vlammen aanwakkerde. Eiken stierven en druiven verdroogden, maar de wijnoogst was meest overvloedig.

En omdat er in de jaren ‘30 ook al zes tot zeven mooie zomers waren gingen de mensen geloven in een definitieve klimaatomslag. Overal begon men wijnranken te planten. Tevergeefs, want de volgende drie zomers waren uitzonderlijk slecht.

In Regensburg viel op 28 juli de eerste regen sinds maart. In de Elzas regende het tussen 28 juli en 30 november alleen op 29 september en 11 november. Uit een Engelse melding valt op te maken dat het daar tussen juni en oktober droog bleef. met een enorme zveesterfte als gevlg. Ook in de herfst hield het droge weer aan. En in Basel zwommen in december nog jongens in de Rijn.

‘Het was een ramp’

Ook het eerste deel vermeldt al een aantal zeer opmerkelijke zomers. In 1137 viel in Engeland de lente uit en ging de winter in de zomer ver. In Egmond bleef het de hele lente en zomer droog en verbrandde de klaver in de velden. Overal verdorden de bomen; ‘ze vlogen in brand zonder dat iemand ze aanstak’. De mooiste zomer daarna, in 1170, leverde echter een fantastische oogst. September en oktober zorgden voor een overvloed aan wijn, brood, olie en honing. De zon scheen fraai en de lucht was gezond. Al kwam uit Braunschweig wel een melding van verschroeide landerijen.

Het jaar 1241 telde van 25 maart tot 28 oktober zeven maanden van uitzonderlijk droog en warm weer, maar in Engeland vielen rivieren droog en droogden moerassen uit. Het gras ging dood, de kuddes op de velden bezweken van honger en dorst, de watermolens konden hun werk niet meer doen. ‘Dat was een ramp’, licht Buisman toe. ‘Het waren er duizenden, broodnodig voor het malen van graan en eikenschors voor het looien van leer en het slijpen vanwapens en greeeschappen’.

In 1252 zorgden tussen april en juli ‘noch enige regen, noch dauw voor verfrissing van de aarde. De grond wordt hard en vertoont grote kloven, vliegen gonzen bij gebrek aan voedsel heen en weer en vogels laten hun vleugel hangen, sperren hun snavels open en staken hun zang’. maar regen rond de langste dag bracht enige verlichting. In Ierland was de oogst ‘20 nachten voor Lammas (1 augustus) al binnen; Parijs klaagde over een slecht wijnjaar.

Klimaatoptimum

‘Er is in deze periode sperake van een klimaatoptimum’, constateert Buisman. ‘Er waren naar verhouding opmerkelijk veel warme zomers’.

Maar ook slechte kwamen voor. In 886 regende het tussen mei en juli ‘zonder ophouden’, de Rijn trad buiten zijn oevers en voerde alle koren, vlas en hout mee. In de natte zomer van 1056 bleef de zon een maand in wolken gehuld en heerste plaatselijk hongersnood. Dertig jaar later veroorzaakte zeer slecht weer in Engeland rampen en veel plagen, ziekte onder het vee en talloze doden door blikseminslag. In 1089 was men daar pas na Sint Maarten (11 november) in staat om te oogsten.

In mei 1117 vormde in Luik een aardbeving de inleiding tot maanden van onheil. Een ‘regenwolk’richtte in juni een heel stadsdeel te gronde, vernielde de oogst, doodde een moeder die twee kinderen in haar armen omklemd hield en verstikte acht anderen. Op 1 juli werd het dak van de kerk vernield en bluste een bliksemschicht het levenslicht van een geestelijke voor het altaar. Een week later ‘omsloten van het derde tot het negende uur vier winden vanuit de vier streken van de hemel de stad’, die overspoeld werd door regenbuien. En in de nacht van 3 augustus werd Luik opgeschrikt door een dermate krachtig en aanhoudend onweer dat zich ‘in godshuizen en kapellen in een droevige samenkomst vulden en de mensen zich de gehele nacht met gebeden inspanden’. ‘s Morgens volgde een ‘grote vurige gloed in het oosten’, zodat de mensen door angst werden bevangen.

Angstaanjagende natuur

In de Middeleeuwen hadden alle jaargetijden hun eigen bedreigingen, ook al omdat voor bizarre natuurverschijnselen veelal een logische verklaring ontbrak. ‘Wij worden in een warme zomer hooguit geconfronteerd met een verbod de tuin te besproeien of de auto te wassen. Maar bij hen kon de oogst mislukken door aanhoudende regenval en buitengewone droogte. Wanneer de putten opdroogden moesten de boeren met hun vee verder trekken totdat ze elders water vonden, maar als dat mislukte was massale veesterfte het gevolg. Langdurige hitte en droogte was een bron van ziekte onder de bevolking. Veenbranden veroorzaakten een enorme luchtverontreiniging. Sommige waren zo hardnekkig dat in Polen werd geconstateerd dat in West-Europa kennelijk een vulkaan tot uitbarsting was gekomen. En dan zwijgen we nog over de talloze dorps- en stadsbranden die zich gretig een weg baanden via de veelal houten huizen met hun rieten daken’.

Het werk bevat een overvloed aan voorbeelden. Boontje kwam om zijn loontje toen in augustus 1324 bij de Lingenpoort in Tiel het huis van Nicolaas Schout in brand vloog. Maar de man was gehaat en zijn stadsgenoten weigerden het vuur te blussen, Toen draaid de wind en ging het grootste deel van de stad in vlammen op. Eenmaand eerder was in Deventer tweederde van de stad vernield, waaronder ook de St. Lebuinuskerk. De toren van de Deventer ‘Dom’ stond op instorten en moest van stadswege worden hersteld.

Vuurstorm in Harderwijk

Harderwijk Een gevelsteen in Harderwijk, in de muur van basisschool De Rank, herinnert aan de grote stadsbrand van 1503. Te lezen is dat er toen 300 leerlingen om het leven kwamen.

Vermoedelijk de meest rampzalige brand trof Harderwijk, in 1503.

‘Alle de stadt bijnae, met al datter in was, worde verbrand, behalve XXV huysen omtrent, die alleen bleven staen in soo grooten stadt, die soo veel straten en huysen hadde’, meldde een tijdgenoot van Amersfoort. ‘Oock verbranden alle de kercken, capellen, goodtshuysen ende clocken, soo dat er in de geheele stadt niet een goodtshuijs en bleef’.
In het verhaal klinkt verbazing door.

‘Dat vuijr was nijet natuijrlick, maer helsch, onversadelick of onleslick. Ja worde ijder gedwongen van grote eyschelicheyd (ijsselijkheid) des onsparigen brandts alle dingen te laten ende wt (uit) d’ poorten te loopen’.
Buisman heeft een opmerkelijke verklaring: ‘Er moet sprake zijn geweest van een vuurstorm, zoals in de oorlog door bombardementen in Hamburg en Dresden werden veroorzaakt. Door de snelheid waarmee de vuurzee zich uitbreidde kwamen vermoedelijk 1000 tot 1500 mensen om. Ze werden verzengd in het vuur dat door de nauwe dichtbebouwde straatjes raasde of verpletterd onder vallende gevels. Na drie uur was van het stadje alleen nog een rokende puinhoop over. Veel overlevenden zijn naar Arnhem gevlucht. Bij de herbouw werden houten huizen en daken van stro en riet verboden’.

Vergeten rampen

Vloedmerktekens in Hann Münden, waar de rivieren Werra en Fulda in de Weser stromen. De hoogste markering dateert van 24 juli 1342, tijdens het hoogwater dat later als Magdalenenvloed (of Jahrtausentflut) de (regionale) geschiedenis in ging.

Tijdens zijn naspeuringen ontdekte Buisman ook tal van andere rampen die, tot zijn verbazing, nergens de geschiedenis hebben gehaald en hooguit in plaatselijke bronnen zijn te vinden. ‘Eén van de opmerkelijkste was de overstroming die op 19 juli 1342 begon in het stroomgebied van de Main en die tot in Nederland gevolgen kreeg. Getuigen konden hun ogen niet geloven. Van het ene op het andere moment begonnen de rivieren grotere massa’s water af te voeren dan iemand ooit had gezien. De waterstand steeg zo angstaanjagend dat iedereen voelde dat het op een enorme ramp zou uitlopen. Oorzaak was een ongekende wolkbreuk met abnormaal grote regenval. De meest spectaculaire berichten kwamen uit het stroomgebied van de Main en daarna van de Rijn; van de zuidelijker gelegen Neckar kwam geen enkele melding, maar ook elders in Europa werd grote schade aangericht.

Het was toch al een rampjaar voor toendertijd beroemde bruggen. ‘In februari was een stenen brug in Praag ingestort en in juli volgden andere in Dresden, Regensburg, Bamberg, Würzburg en Frankfurt am Main: monumenten voor die tijd; wonderen van middeleeuwse ingenieurskunst, stenen bouwwerken en vaak voorzien van beelden, woningen en soms een kapel, met ingebouwde watermolens en beveiligd met ‘ijsbrekende’pijlers. Ze stortten zonder meer in, om maar te zwijgen over de honderden houten bruggen en watermolens langs de route, waar tal van steden blank kwamen te staan.Ook in Nederland was de abnormaal hoge waterstand merkbaar, maar ernstige gevolgen bleven uit’.

Volgens Buisman moet het water de getroffen steden tien tot twintig jaar op achterstand hebben gezet, maar hebben historici er geen regel over nagelaten. ‘Kennelijk waren die veel meer in de ban van politieke ontwikkelingen en veldslagen dan van dergelijke ‘plaatselijke’ calamiteiten. Dat sluit wel aan bij het feit dat we ook over het leven van de boeren in die tijd, toch verreweg de grootste bevolkingsgroep, maar heel weinig weten. Dat ik dergelijke zaken boven water weet te krijgen vind ik één van de boeiendste aspecten van mijn opdracht’.



DUTCH COURAGE'S PRODUCTIONS
Documentaires: Arnhem Spookstad | Rees: De verzwegen deportatie | Kriegsgefangenenpost | Drama SS Pavon
Publicaties: Artikelen en features | Krapulistische oprispingen | 100 jaar Apeldoornse Courant
Webcams: World Webcam Monitor > Unprotected webcams > Cruiseship cams > List of webcams and more
Media: Press > TV > Radio & video > Twitter and more
World: Atlas | Natural events | Weather > Climate change | Disasters > Earth's End
Various: Dutch Courage's Boeken | Guitar at Charles Bridge | Contact

Aangepast zoeken
© André Horlings
Make a Free Website with Yola.