Dr. L. de Jong en Indië


Een controversiële concepttekst over ‘oorlogsmisdaden’

Luitenant-generaal b.d. C.A. Heshusius was o.a. auteur van Het KNIL van Tempo Doeloe >

In december 1987 woedde er in Nederland een fel debat over de ‘excessen’ of ‘oorlogsmisdaden’ waaraan Nederlandse soldaten zich in Indië schuldig zouden hebben gemaakt, en wat dr. L. de Jong daarover wilde gaan schrijven ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’. Over het concept, dat aan ‘meelezers’ ter inzage was gesteld, gingen de wildste geruchten.

Eén van de meelezers, KNIL-kolonel b.d. C.A. Heshusius, lekte de ontwerptekst door naar De Telegraaf. Een ware hetze tegen De Jong was het resultaat. Uiteindelijk herschreef hij zijn tekst, en verving het begrip ‘oorlogsmisdaden’ door de term 'excessen'.

Mijn hoofdredacteur bij de Nieuwe Apeldoornse Courant, Gert Bielderman, bemachtigde tijdens een vergadering van het samenwerkingsverband Persunie, op het hoogtepunt van de controverse, uit onbekende bron een kopie van dat concept en daarmee mocht ik aan de gang gaan. Het verhaal verscheen op 9 december 1987. Een belangrijk gedeelte werd ook weergegeven in deel 14 van ' Het Koninkrijk'; ' Reacties', waarin de reacties op het standaardwerk van dr. L. de Jong werden samengevat. Hieronder het complete verhaal, zoals het in de krant stond.


Veel meer oorlogsmisdrijven in Nederlands Indië dan officieel bekend

Kritiek op dr. Lou de Jong voorbarig

Door ANDRÉ HORLINGS

dejong 091287 - ,,Er zijn oorlogsmisdrijven gepleegd. Van de elf die wij eerder opsomden, noemen wj er zes: ‘moord en massamoord’, ‘systematische terreur’ , ‘foltering van burgerts’ , ‘verkrachting’ , ‘plundering’ en ‘bevel om geen kwartier te geven’,en bij alle zes zijn hogere autoriteiten betrokken geweest.”

Dat is de conclusie van dr. Lou de Jong aan het slot van het onderdeel ‘oorlogsmisdrijven’ in het concept-hoofdstuk 7 over de worsteling van Nederland met de republiek Indonesië. Het is bestemd voor ‘Epiloog’, het twaalfde deel van zijn standaardwerk ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’.

“De kerkgenootschappen, die tijdens de bezetting keer op keer hadden geprotesteerd tegen het door de Duitsers bedreven onrecht, zwegen, de dagbladcorrespondenten in Indonesië maakten nooit melding van oorlogsmisdrijven en de publieke opinie als geheel kwam nimmer in beroering. De meeste Nederlanders konden zich, zo veronderstellen wij, niet voorstellen dat Nederlandse militairen zich schuldig maakten aan misdrijven, gelijk aan die waarvoor in diezelfde jaren Duitsers in Nederland veroordeeld werden, en onder diegenen die ontvangen informatie voor juist hielden, waren er vermoedelijk velen die, zoals Romme in mei ‘49 in de Tweede Kamer deed, zich op het standpunt stelden dat wat Nederland in Indonesië ondernam, politiek gerechtvaardigd was – ja, er waren, aldus Romme, ‘noodwendig ook kwade gevolgen’, maar daar maakte men zich vanaf met dooddoeners als: waar gehakt wordt, vallen spaanders.”

Excessen

Hueting < Dr. J.E. Hueting bracht, met voorbeelden uit zijn eigen militaire verleden, de discussie op gang.

De discussie over Nederlandse wandaden in Nederlands-Indië begon in 1969. Aanleiding was een interview dat in december 1968 in de Volkskrant verscheen. Daarin schetste de Amsterdamse psycholoog dr. J.E. Hueting een beeld van de oorlogsmisdrijven waarbij hijzelf als militair in Indië betrokken was geweest. De Jong: “Reacties bleven uit, maar die kwamen er zoveel te meer toen de VARA-actualiteitenrubriek ‘Achter het Nieuws’ in januari ‘69 aan die oorlogsmisdrijven drie uitzendingen wijdde: hoge militairen noemden de beweringen van Hueting en anderen leugens.”
De Jong vermeldt dat PvdA-fractieleider Den Uyl om de instelling vroeg van een commissie van onderzoek. Minister-president De Jong beloofde daarop dat uit de overheidsarchieven alle op ‘excessen’ betrekking hebbende stukken in een nota bijeen zouden worden gebracht. Lou de Jong: “ De term ‘oorlogsmisdrijven’ werd opnieuw vermeden.”


De meeste Nederlanders konden zich, zo veronderstellen wij, niet voorstellen dat Nederlandse militairen zich schuldig maakten aan misdrijven, gelijk aan die waarvoor in diezelfde jaren Duitsers in Nederland veroordeeld werden`


De Excessennota verscheen in juni 1989. “Zij bevatte gegevens over diverse oorlogsmisdrijven, 110 in totaal, die evenwel nergens in een systematische samenhang waren geplaatst. ‘De regering betreurt’. verklaarde de minister-president in een begeleidend schrijven, ‘dat er zich excessen hebben voorgedaan, maar zij handhaaft haar opvatting dat de krijgsmacht als geheel zich in Indonesië correct heeft gedragen’.” Dat sloeg, stelt de historicus, “op de methoden die bij verhoren werden toegepast”.
Premier De Jong concludeerde: ‘De gegevens die in de archieven aanwezig zijn, wijzen niet uit dat de excessen door de verantwoordelijke autoriteiten stilzwijgend zijn toegelaten of verheimelijkt. Wel kan men zich de vraag stellen of, naar het inzicht van thans, niet teveel waarde is toegekend aan verzachtende omstandigheden’. De oud-directeur van het RIOD stelt vast: “Dat klonk allemaal nogal geruststellend, behoudens dan wat de Zuid-Celebes-affaire en mogelijkerwijze de verhoormethoden betrof.”

Aanvuling: Premier De Jong schrapte de term ‘oorlogsmisdaden’ uit de Excessennota (De Volkskrant, 11 februari 1995)

Voorbarig

Oud-premier De Jong verweet zijn naamgenoot afgelopen week in een interview in De Telegraaf nauwelijks in te gaan op de omstandigheden, waaronder die excesen voorkwamen. “ Bovendien ligt er veel te veel nadruk op. Alsof martelen en doodschieten het enige was, wat onze jongens daar deden. De argeloze lezer krijgt zo een totaal verkeerde indruk.” Volgens Piet de Jong kregen “onervaren Hollandse soldaten midden in een voor hen onbekende jungle te maken et een keiharde guerilla. Ik begrijp dan best dat een officier een gevangen nationalist weleens hardhandig heeft aangepakt.”


De rest van het artikel is integraal overgenomen in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 14 – Reacties (pag.978-983):

‘Enkele dagen later’ (na het interview van oud-premier De Jong met De Telegraaf; op 9 december 1987), ‘publiceerde Het Binnenhof ‘ (één van de kranten in het samenwerkingsverband Persunie) ' een uitvoerig weerwoord op het betoog van oud-premier De Jong. De verslaggever, André Horlings, had klaarblijkelijk inzage gehad in het concept van het volledige hoofdstuk’ (bestemd voor deel 12 van ‘Het Koninkrijk’) 'en diende na lezing de geïnterviewde politicus van repliek:'


De kritiek lijkt voorbarig. In de voorbeelden die De Jong geeft is van "hardhandig aanpakken" geen sprake. Het concept van hoofdstuk 7 omvat in totaal 480 tikvellen. De Jong schetst daarin de geschiedenis van Nederlands-Indië tot aan de soevereiniteitsoverdracht. Uitsluitend het onderdeel "oorlogsmisdrijven" is in de openbaarheid gekomen. Het lijkt erop dat de ex-premier dat omstreden concept nog niet gelezen had.
Andere onderdelen in het hoofdstuk zijn onder meer "Bersiap", "De oorlogsvrijwilligers ingezet", "Eerste Politionele Actie". Het is nog onbe-kend hoe De Jong daarover schrijft. Maar het ligt voor de hand dat daarin ook de extreme omstandigheden waaronder Nederlanders de strijd moesten voeren aan de orde komen.

Oorlogsmisdrijven

De Jong stelt vast dat over de oorlogsmisdrijven die door Indische nationalisten werden gepleegd weinig gegevens bekend zijn. Hij consta-teert dat circa 3500 Nederlanders en Indische Nederlanders en een onbekend aantal Ambonezen en Chinezen zijn vermoord en tienduizen-den mensen onder slechte omstandigheden gevangen zijn gehouden. Bovendien is een onbekend aantal krijgsgevangen militairen van de Koninklijke Landmacht, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en de mariniersbrigade vermoord — "hun stoffelijke overschotten zijn menigmaal verminkt aangetroffen". In hoeverre dergelijke moorden in opdracht van hogerhand werden gepleegd valt, aldus De Jong, niet na te gaan. "Het ligt in de aard van verzetsgroepen dat zij hun eigen gang gaan."
Zelden kwam het tot vervolging van Indonesische oorlogsmisdadigers. "In het perspectief van de Republiek (Indonesië) waren die geliquideerden collaborateurs met de vijand, verraders van de zaak van Indonesiës onafhankelijkheid. De niet-vervolging van diegenen die hen liquideerden, moet op één lijn worden gesteld met het feit dat de Nederlandse.illegale werkers die tijdens de Duitse bezetting enkele honderden, als belangrijke helpers van de vijand beschouwde Nederlanders liquideerden, evenmin zijn vervolgd."
Over Nederlandse misdaden is aanzienlijk meer bekend. De Jong erkent met spijt dat het hoofdstukgedeelte daardoor een ietwat onevenwichtig karakter heeft gekregen. Hij ziet dat echter niet als ongepast: "de eerste (misdaden) zijn onze zaak geweest, de laatste de zaak van Indonesië."

"Weliswaar lang niet alles maar toch wel veel (werd) gerapporteerd via de civiele en de militaire kanalen. De Nederlandse verbindingen functio-neerden goed, de Republikeinse slecht. Dit onderscheid heeft er (...) toe geleid dat wij over de oorlogsmisdrijven aan Nederlandse kant veel uitgebreider zijn ingelicht dan over die aan Republikeinse."

Contra-terreur

begrafenis < De begrafenis van kapitein Westerling werd door 800 oud-strijders bijgewoond en liep uit op een demonstratie tegen de geschiedschrijving van dr. L. de Jong. “De Jong heeft Westerling kapot gemaakt door hem op smerige wijze te bekladden. Westerling was geen moordenaar, maar de echte moordenaars waren de Rode Jakhalzen in Den Haag, die Nederlandse militairen met slechte wapens de rimboe instuuden’, zo tekende De Telegraaf van 27 november 1987 op.

Een belangrijke Indonesische verzetsgroepering was de TRIS, het "Leger van de Republiek op Celebes", 4000 strijders sterk, die rond november 1946 werd opgericht. Zijn soldaten liquideerden talrijke Indonesiërs die met het Nederlandse gezag samenwerkten. Er zijn bovendien gruwelijke martelingen bekend. De Jong vermeldt het opensnijden van de buik van de zwangere vrouw van een beambte die met het Nederlandse gezag bleef samenwerken. Het kind werd eruit gerukt en onthoofd; de moeder stervend achtergelaten.
Volgens hetzelfde rapport maakten zich echter ook sommige KNIL-officieren schuldig aan het zonder vorm van proces doodschieten van Indonesiërs die zij van hulp aan het verzet verdachten, tersluiks en in strijd met de orders. Het Nederlandse gezag in Zuid-Celebes kwam in gevaar en daarom werd een KNIL-bataljon naar het roerige gebied gezonden, dat, zegt De Jong, "als enige taak zou hebben de contra-terreur uit te oefenen". Zijn commandant werd Raymond Westerling, bijgenaamd De Turk, omdat hij in Turkije was geboren. Hij overleed twee weken geleden [26 november 1987], kort nadat de eerste onthullingen uit het hoofdstuk in het openbaar waren gekomen.
Zuidcelebes In 1984 verscheen van de hand van W. IJzereef een boek over Westerling en diens standrechtelijke executies. Daaraan ontleent De Jong een beschrijving van de Nederlandse acties. Een Javaanse makelaar, die op 17 december 1946 tot de bijeengedreven bevolking van een kampong behoorde, getuigt: "De Turk gaf bevel aan een van de aanwezigen om aan te wijzen wie opstandelingen waren, maar de man zei dat hij het niet wist. De Turk zei hem dat hij doodgeschoten zouden worden, als de aangewezen persoon volhield niet te weten wie de opstandelingen waren." Volgens het verhaal wees het slachtoffer toen tien willekeurige mensen aan die werden ge-ëxecuteerd en dat herhaalde zich nog twee keer.

“Moord”

De officier van justitie in Makassar noemde op 20 december de acties van het leger in een rapport aan procureur-generaal Felderhof "absoluut noodzakelijk voor het herstel van de verstoorde rust en orde", al was het te betreuren "dat dit soms aanleiding kan geven tot bloedbaden." De hoofdambtenaar die het rapport las liet Felderhof op 30 december weten dat deze werkwijze "formeel niet anders is dan moord", maar ook het "enig overgebleven middel tot wezenlijke bescherming van de bevolking".
Een telegram van Felderhof aan de officier van jusititie legaliseerde het optreden: "Aangelegenheid door mij beschouwd als in noodrecht gegronde militaire actie stop verzoek uwerzijds attentie en mij tijdig in te lichten als noodzaak ontaardt in nodeloos exces of omstandigheden verzachting toelaten". En twee weken later stelde de plaatsvervangende officier van justitie te Makassar voor aan alle KNIL-officieren op Zuid-Cele-bes "een zekere straffeloosheid" te waarborgen. Uiteindelijk werd toege-staan dat "indien zulks noodzakelijk mocht zijn" ook onder leiding van andere officieren dergelijke acties mochten worden ondernomen, al werd daarbij "bepaaldelijk een beperking tot het uiterste minimum" gewenst.

Westerling

Westerling < Foto van Kapitein Westerling op de site Wasaoeboen.com, waar wordt gemeld: ‘Opa diende (met groot ongenoegen) onder Kapitein Westerling. Hij vond hem een nare man’.

Volgens De Jong was niet op dat laatste telegram gewacht. Er waren "naast Westerling die zijn acties had voortgezet (hij had persoonlijk velen doodgeschoten, in enkele gevallen ook kampong-bewoners twee aan twee laten worstelen waarna de verliezer was doodgeschoten), tevens andere officieren, soms zelfs onderofficieren, tot de contra-terreur overgegaan en bovendien hadden de politie en de zogenaamde kampong-politie hetzelfde gedaan. Velen waren vermoord, kampongs waren in vlammen opgegaan, er was geplunderd, er was lijkenroof gepleegd, er waren Indonesiërs die in voorarrest zaten uit de gevangenissen gehaald en doodgeschoten — in één geval twee die tot gevangenisstraf waren veroordeeld. De meeste slacht-offers bij één gelegenheid maakte een onderluitenant van Westerlings eenheid, die in aanwezigheid van een KNIL-kapitein op 1 februari, geprikkeld door het bericht dat drie militairen van het Korps in een nabije kampong bij een gevecht gesneuveld waren, in de kampong die hij onderzocht lukraak liet schieten op mannen, vrouwen en kinderen — er vielen 364 doden."
Nederlandse cijfers wijzen uit dat door de Indonesische verzetsgroepen tussen 1 juli 1946 en 1 juli 1947 op Zuid-Celebes 1200 personen werden geliquideerd en ruim 400 ontvoerd, vermoedelijk in grote meerderheid Indonesiërs. Nederlandse militairen vermoordden volgens de officiële rapporten 3144 Indonesiërs, maar De Jong vraagt zich af of die cijfers wel volledig zijn. Hij stelt vast dat volgens de officiële rapporten daarvan 1533 op rekening komen van het Korps Speciale Troepen (de eenheid van Westerling), 136 op die van politie-eenheden en 576 op die van de kampong-politie. De Jong concludeert dat het KST "dus minder heeft gemoord dan andere eenheden van het KNIL". Van de 1533 slachtoffers werden er 388 vermoord onder de persoonlijke leiding van Westerling en 1055 onder die van de eerder vermelde onderofficier.

Wereldforum

De manoeuvres van Westerling werden door zijn superieuren volledig gedekt. Van zijn chef, kolonel De Vries, kreeg hij een bijzondere tevredenheidsbetuiging. "Hij had, zo werd gemeend, slechts schuldigen van het leven beroofd en zich dus op loffelijke wijze van een moeilijke opdracht gekweten." Later sprak ook generaal Spoor per brief "alle lof en waardering" uit "voor uw uitzonderlijke prestaties". En in Den Haag stelde minister Jonkman vast dat het KST "met volledig succes optrad". In Batavia zelf zorgden de acties voor meer verontrusting. Van Poll, lid van de commissie-generaal, schreef in een brief aan minister-president Beel:
"Kapitein Westerling treedt in Celebes op de volgende wijze op: hij omsingelt een dorp, drijft de inwoners bij elkaar en vraagt dan wie extremisten zijn. Indien er dan enige personen gevonden worden, die deze extremisten aanwijzen, worden eerst de extremisten doodgeschoten en daarna zij, die de extremisten hebben aangewezen. Het is waar, dat op deze wijze inderdaad een herstel van rust wordt verkregen; de schrik komt er geweldig in; maar U zult het wel met mij eens zijn, dat het te hopen is, dat dergelijke methoden niet voor het wereldforum bekend -worden!"

Regeringsrapport uit ‘69
geeft topje van de ijsberg


Die hoop bleek ijdel. Vrij Nederland publiceerde in juli 1947 de getuigenis van de Javaanse makelaar over de moordpartij in de kampong op 17 december 1946. Er werden kamervragen gesteld. Een commissie toonde in april 1948 begrip voor de strenge maatregelen, maar achtte wel vervolging raadzaam van drie officieren die in de contra-terreur te ver waren gegaan, maar verder dan voorbereidingen daartoe kwam het niet.
Uiteindelijk vertrokken in oktober 1949 drie juristen naar Batavia om een onderzoek in te stellen naar excessen. De Jong meldt dat pas vijf jaar later, eind 1954, werd gerapporteerd dat "wat geschied was, met een rechtsstaat niets te maken had gehad en ook niet gekwalificeerd kon worden (...) als een «in noodrecht gegronde militaire actie». (...) Hun rapport plaatste het kabinet voor de vraag of de justitie toch nog stappen moest ondernemen tegen Westerling en de drie andere, eerder bedoelde militairen. Met grote meerderheid werd eind december besloten om dat na te laten."
"Geen proces dus", stelt De Jong vast. En hij constateert: "te bedenken valt dat als het daartoe kwam, blijken zou dat de ambtelijke en de militaire top in Batavia en in Makassar bij de contra-terreur betrokken waren geweest. De meeste ministers gaven er de voorkeur aan de zaak in de doofpot te stoppen."

Aanvulling: Zie ook: Celebes deel 1, deel 2 (Andere Tijden)

Verhoren

"Een voorbehoud wordt gemaakt voor de Zuid-Celebes-affaire en (hoewel vrijwel geen archiefmateriaal terzake is aangetroffen) ook voor hetgeen kan zijn geschied ter verzameling van inlichtingen omtrent de tegenstander", zo werd in juni 1969 vastgesteld in het regeringsrapport over excessen in Nederlands-Indië. In het vervolg van het hoofdstukgedeelte vaagt De Jong dat voorbehoud overtuigend weg. De feiten spreken voor zich, zelfs al zou de historicus in het definitieve hoofdstuk meer begrip opbrengen voor verzachtende omstandigheden waaronder ze plaatsvonden.
Ook over de verhoormethoden is De Jong duidelijk. De eerste na-oorlogse minister-president Schermerhorn sprak, samen met hoofdredacteur Van Randwijk van Vrij Nederland, in februari 1947 met een soldaat en noteerde in zijn dagboek: "Deze soldaat deed nog weer eens een boekje open over de methoden die door onze troepen, althans in grote meerder-heid, (...) worden toegepast (...). De waterproef toepassen in de vorm van de mond vol papieren proppen, daar water op laten druppelen, zodat dit papier zwelt, is geen zeldzaamheid. (...) Het was een uitermate triest verhaal van demoralisatie en beestachtigheid."
ontsporing J.A.A. van Doorn & W.J. Hendrix: Het Nederlands/Indonesisch Conflict - Ontsporing van geweld >

Over de verhoren is al veel meer geschreven. De Jong citeert uit een studie ‘Het Nederlands-Indonesische conflict’ van Van Doorn en Hendrix het verslag van de laatste, die enkele malen bij verhoren aanwezig was. "De commandant zat meestal achter een tafeltje, terwijl dikwijls Indonesische handlangers de harde technieken toepasten. Het tafereel deed denken aan oude prenten met tortuur als onderwerp, de beulen ruw en volks, de inquisiteur met enige deftigheid toeschouwer. De verhoren begonnen meestal vriendelijk en welwillend. Pas na het «dichtklappen» van de gevangene begon de Indonesische hulp met een knuppeltje te slaan en werden bedreigingen geuit en stompen toegediend. Dan kwam de stroominductor voor de dag, eerst bevestigd aan vingers en tenen. Het werkelijke third degree-verhoor begon pas als de gevangene uitgeput raakte; men bracht de stroomdraden dan over naar de genitaliën. Sommige verhoorden verloren dan het bewustzijn. Bij de electrotortuur raakt de verhoorde vaak urine of ontlasting kwijt en springt vreemd op, wat achter zijn rug tot onderdrukt gelach leidt. De verhoren zijn voorbestemd om tot de uitputting van de gemartelde te leiden, in de verwachting dat hij verraad zal plegen. Vaak echter sloeg hij dicht."

IJsberg

De Jong sluit zich aan bij de conclusies uit eerdere onderzoeken dat de "excessen" in de regeringsnota slechts het topje van de ijsberg vormen. Slechts een klein deel kwam ter kennis van de hogere justitiële autoriteiten. Er werd wel over gepubliceerd. Een reeks van dag- en weekbladen besteedde tussen 1946 en 1949 aandacht aan ontsporingen van Neder-landse militairen. "De meeste van deze artikelen", zegt De Jong, "leidden er toe dat leden van de Tweede of Eerste Kamer vragen stelden. (...) In de regel kregen de vragenstellers te horen dat de zaak onderzocht zou worden, dat was dan het laatste dat vernomen werd."
De Jong citeert met instemming de conclusie van Van Doorn en Hendrix: "Hoe fors het militaire optreden van Nederland ook is geweest en hoe vaak het uit de hand is gelopen; hoe stelselmatig geweld is aangewend tegen burgers, met name door de inlichtingendiensten en de speciale troepen; hoezeer de inzet van technische wapens vele onschuldige slachtoffers heeft gemaakt: hoe waar dit alles ook is, wie kennis neemt van het verloop van de dekolonisatie-oorlogen in de Franse en Portugese overzeese gebiedsdelen en van het geweld dat op Vietnam is losgelaten, zal moeten vaststellen dat Nederland in alle opzichten verhoudingsgewijs minder hardhandig is opgetreden." Hij concludeert: "Dat is juist. Even juist is evenwel dat, al moge het waar zijn dat de meeste in Indonesië ingezette Nederlandse militairen persoon-lijk niet bij oorlogsmisdrijven betrokken zijn geweest, toch, gegeven het karakter van de oorlog (de afweer van een guerrilla waarbij de strijdmethoden van het KNIL werden overgenomen) oorlogsmisdrijven zijn gepleegd op een heel veel grotere schaal dan de regeringsnota in '69 deed vermoeden en dat de vervolging en de berechting daarvan schril afsteken bij die van de oorlogsmisdrijven, bedreven door Duitsers en Japanners. Onze Vrouwe Justitia heeft met twee maten gemeten."
De Jong suggereert dus niét dat de Nederlandse strijdkrachten zich als geheel schuldig zouden hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden. Hij conclu-deert slechts dat de omvang veel groter was dan tot nu toe op grond van officiële regeringsrapporten mocht worden verondersteld. Dat is een historisch feit van formaat. Het verzwijgen zou neerkomen op geschiedsvervalsing.


‘Oorlogsmisdrijven’werd in definitieve versie ‘Excessen’

280488 Bij het verschijnen van deel 12 van ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ bleek het betreffende hoofdstuk 7 ingrijpend te zijn gewijzigd, meldden de Persunie-kranten op 28 april 1988. ‘Zijn beschuldigingen in het concept, dat Nederlandse troepen zich in Indië aan ‘oorlogsmisdrijven’ schuldig zouden hebben gemaakt, is rigoreus verdwenen. Niettemin kon één van zijn ter zake kundige ‘meelezers’, luitenant-generaal b.d. F. van der Veen, zich niet met de uiteindelijke versie verenigen. De Jong stelde hem i staat – een unicum in zijn geschiedschrijving – zijn afwijkende visie te verwoorden in een bijlage, achterin het laatste deel.

(…)

De discussie binnenskamers, naar aanleiding van het eind vorig jaar uitgelekte concept over ‘oorlogsmisdrijven’, moet heftig zijn geweest. Het betreffende onderdeel heet nu ‘Excessen’. De verwijzing naar de ordonnantie op grond waarvan De Jong meende bepaalde gewelddaden aan Nederlandse kant als ‘oorlogsmisdrijf’ te kunnen omschrijven, is verdwenen. De tekst is aanzienlijk afgezwakt. De priemende vinger heeft plaats gemaakt voor uitleg, met meer begrip voor verzachtende omstandigghden en voor juridische argumenten.

Een passage, naar aanleiding van een wraakactie van een onderluitenant van Westerling, die 364 bewoners van een kampong dood liet schieten nadat daar drie militairen waren gesneuveld, luidde oorspronkelijk:
,,Heeft het bericht omtrent dit gebeuren ertoe bijgedragen dat de hoogste autoriteiten in Batavia tot bezinning kwamen?”
De zin werd gewijzigd in: ,,….. tot het inzicht kwamen dat de zaak op Zuid-Celebes geheel uit de hand liep.”
“… dat er een eind moest komen aan de moordpartijen” werd: “… aan de contra-terreur”. “… blijkens hun officiële rapporten vermoordden de Nederlandse militairen (volgen aantallen) werd: ,,…. Schoten Nederlandse militairen (…) dood” en “Het Depot Speciale Troepen heeft dus minder gemoord dan de andere eenheden van het Knil” werd: “”.. heeft dus minder slachtoffers gemaakt”. Ondanks de argumentatie doen de wijzigingen toch denken aan het bombardement van Rotterdam, dat in de oorlog eufemistisch werd omschreven als ‘ de grote brand van Rotteram’ .

Oorlogsrecht

De Jong wil overigens de term ‘ oorlogsmisdrijven’ niet geheel laten vervallen. “Er bestaat nu eenmaal een algemeen begrip oorlogsmisdrijf in de zin van: daden, in een oorlogssituatie gepleegd, die in strijd zijn met de algemene menselijkheid, en dat algemene begrip kan, menen wij, niet zomaar terzijde worden geschoven.” Een ‘belangrijk argument’ in de discussie acht hij echter de opinie “dat de term ‘ oorlosmisdrijf’ niet op zijn plaats is omdat de Republikeinse strijdkrachten [van de Republiek Indonesië] zich in zulk een mate niet hielden aan de bepalingen van het oorlogsrecht dat er aan Nederlandse kant geen enkele verplichting meer was zich daar wèl aan te houden.”
Een apart geval is voorts C. A. Heshusius, stelt J.Th.M. Bank, eindredacteur van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, vast in een nabeschouwing op deel 14, ‘Reacties. . ‘Na scherpe kritiek op deel Xla (Indië) werd hij door De Jong uitgenodigd als meelezer. Als daar een poging in zat om de kritiek te kanaliseren en Heshusius min of meer aan het project te binden mislukte dat faliekant. Heshusius ging in zijn gram heel wat verder dan bijvoorbeeld I. J. Brugmans en R. C. Kwantes, die hun blijvende bezwaren tegen bepaalde tekstgedeelten expliciet in het Voorwoord bij deel XI opgenomen zagen. Heshusius was zo opgewonden en kwaad over de voorlopige tekst van De Jong over wat toen nog 'oorlogsmisdrijven' van Nederlandse kant in Indië heetten, dat hij zijn medewerking gaf aan het naar buiten brengen van deze hem ter vertrouwelijke kennisneming gegeven teksten. Hij overtrad daarmee de codes op basis waarvan dit hele proces van meelezen nu juist was gebaseerd, maar zag nimmer het verwerpelijke van zijn houding in. De vraag of dit optreden op de uiteindelijke tekst, die juist op dit punt werd gewijzigd, invloed had zal nimmer beantwoord kunnen worden. De Jong zegt zelf uitdrukkelijk dat dit niet het geval was. Overtuigd door de kritiek, die ook door anderen was uitgeoefend, zou hij deze veranderingen toch hebben aangebracht.’

Luitenant-generaal b.d. Van der Veen legt in zijn beschouwing de nadruk op de omstandigheden waarin de Nederlandse militairen in Indië hun werk moesten doen. “ De door de Republikeinen gepleegde rassenvervolgingen, het weloverwogen liquideren van duizenden Indonesische bestuursambtenaren en dorpshoofden en het martelen, verminken en vermoorden van Nederlandse militairen die in handen van de Republikeinen vielen, hebben emotioneel verklaarbare reacties gehad, waardoor het kon voorkomen dat bij enkkele Nederlandse eenheden, waar de troepencommandanten de troep onvoldoende in de hand hadden, ongeoorloofde geweldsontsporingen konden plaats vinden.”


DUTCH COURAGE'S PRODUCTIONS
Documentaires: Arnhem Spookstad | Rees: De verzwegen deportatie | Kriegsgefangenenpost | Drama SS Pavon
Publicaties: Artikelen en features | Krapulistische oprispingen | 100 jaar Apeldoornse Courant
Webcams: World Webcam Monitor > Unprotected webcams > Cruiseship cams > List of webcams and more
Media: Press > TV > Radio & video > Twitter and more
World: Atlas | Natural events | Weather > Climate change | Disasters > Earth's End
Various: Dutch Courage's Boeken | Guitar at Charles Bridge | Contact

Aangepast zoeken
© André Horlings
Make a Free Website with Yola.